Het was jarenlang de belangrijkste bron van werkgelegenheid en inkomsten in het verre zuiden van Nederland: de Limburgse kolenmijnen zorgden voor economische ontwikkeling en welvaart in een regio die geografisch ver verwijderd is van de rest van het land. Toch werd in de jaren zestig besloten om de mijnen te sluiten en voortaan door middel van het importeren van kolen in de energievraag te gaan voorzien. Een beslissing met grote gevolgen voor de Zuid-Limburgse samenleving.

Dat de mijnen een belangrijke factor waren in Limburg, bewees de wijze waarop jongeren met de ambitie om ondergronds aan het werk te gaan werden opgeleid. Via de Ondergrondse Vakschool (OVS) werden de aanstaande mijnwerkers klaargestoomd voor de zware arbeid die voor hen in het verschiet lag. Velen volgden het voorbeeld van hun (groot)vaders in hechte mijnfamilies, die veelal vlakbij elkaar woonden in de nabijheid van hun werkplek. De kern van deze samenleving, de mijnen zelf, konden het hoofd echter gaandeweg nauwelijks meer boven water houden en begonnen vanaf midden jaren zestig zelfs verlies te draaien: de ‘koempelcultuur’ van de mijnen stond op instorten.

De oorzaak van de niet langere economische rendabiliteit van de kolenmijnen kwam met name door de fysische omgeving waarin de staatsmijnen – later in handen van DSM – lagen: de kolen lagen diep onder de grond, wat de winning duurder maakte dan de groeiende import uit de Verenigde Staten. Ook de opkomst van olie en gas, waarvan de laatste zelfs in eigen land kon worden gewonnen, speelde de kolenindustrie parten. Midden jaren zestig werd daarop door DSM in overleg met het Ministerie van Economische Zaken besloten om de mijnindustrie geleidelijk af te bouwen tot volledige sluiting bereikt zou worden in 1973. Saillant detail is dat op het moment dat werd overgegaan tot afbouw de Staatsmijn Beatrix in Herkenbosch nog in aanbouw was; deze mijn is niet afgebouwd en daardoor nooit in gebruik genomen.

De sluiting begon met een toespraak van toenmalig minister van Economische Zaken Joop den Uyl, die in 1965 in Heerlen de sluiting van de mijnen aankondigde. De toespraak zou de geschiedenis in gaan als de ‘Eerste Mijnnota’ en de belangrijkste conclusie was dat binnen tien jaar alle mijnen gesloten zouden worden. Tevens werd de belofte gedaan dat elke sluiting zou samengaan met volledige vervangende werkgelegenheid voor alle mijnwerkers. De tienduizenden betrokkenen bij de mijnindustrie reageerden enthousiast en er vond niet één protest plaats tegen de sluiting.

Het enorme verwachte arbeidsaanbod van ruim 45.000 werkloze arbeiders en de belofte van vervangend werk leidde, met hulp van subsidies van het Rijk en de EGKS, tot het aantrekken van diverse industriële bedrijven naar de regio. Autobouwer DAF opende een fabriek in Born (nu NedCar), Shell bouwde een raffinaderij bij Urmond en in Brunssum zette Curver een nieuwe fabriek neer. Op het moment van de ‘Tweede Mijnnota’ in 1969 waren echter nog maar 8.000 nieuwe banen gecreëerd voor de op dat moment al ruim 28.000 vervallen arbeidsplaatsen in de mijnen. Een economische catastrofe voor de mijnstreek hing daarmee in de lucht.

De werkloosheid groeide razendsnel en doordat het aantal nieuwe arbeidsplaatsen ondanks een gestage groei nooit de vervallen mijnarbeid kon compenseren, pendelden veel vroegere mijnwerkers naar bedrijven over de grenzen van België en Duitsland. Uiteindelijk kwam in 1974 het aantal nieuwe arbeidsplaatsen volgens het Economisch Technologisch Instituut Limburg (ETIL) uit op 14.000; een schijntje tegenover de ruim 45.000 vervallen arbeidsplaatsen in zowel de mijnindustrie zelf als bij alle toeleverende bedrijven, die veelal in hetzelfde gebied gevestigd waren.

Dat de economische situatie van Zuid-Limburg inmiddels verzwakte had als gevolg dat er een migratie in gang kwam van jongeren en studenten naar noordelijker gelegen gebieden, met name richting Brabant en de Randstad. De daardoor sterke vergrijzing zet de economie verder onder druk, al zorgt die grote groep uittreders er ook voor dat er arbeidsplaatsen vrijkomen voor de generatie van middelbare leeftijd die moeilijk aan het werk komt. Verder leiden regionale samenwerkingen met onder meer steden in Belgisch-Limburg en Aachen tot de komst van werknemers van over de grens en speelt de Universiteit van Maastricht een belangrijke rol in het aantrekken van buitenlandse studenten; op geen enkele universiteit in Nederland is zowel het absolute als relatieve aantal buitenlandse studenten zo groot als in Maastricht.

De toeloop vanuit de grensgebieden in België en Duitsland en de steun die de regio ontvangt van het Rijk versterken de economische ontwikkeling van Limburg in zoverre dat de werkloosheid het landelijk gemiddelde nauwelijks meer ontloopt en de problemen zich vooral concentreren in de dorpen – niet heel anders dan de situatie in bijvoorbeeld het noorden van Nederland. Desondanks blijft Zuid-Limburg bestaan op een zwakke basis, verhuizen elk jaar bedrijven naar andere gebieden en is het de vraag hoe lang het vervangen van gepensioneerde werknemers toereikend is om de economische situatie stabiel te houden. Van de zekerheid die de mijnindustrie de regio en diens inwoners ooit gaf is in ieder geval weinig meer over.

LEAVE A REPLY

Please enter your comment!
Please enter your name here

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.