Hoewel de gemeenschappelijke Europese markt slechts enkele decennia bestaat en nog geen twintig jaar zo omvangrijk is als tegenwoordig, zijn internationale handelsrelaties geen noviteit op het Europees continent. Handel drijven doet de mensheid al meerdere millennia en de diverse machthebbers die de revue in al die eeuwen hebben gepasseerd, hadden elk hun eigen handelsopzet, zowel binnen als buiten hun respectievelijke territoria. Eén van de meest bekende samenwerkingen uit het verleden is de Hanze, een verbond van diverse steden rondom de Noord- en Oostzee in de latere Middeleeuwen. Het gebied waarop de Hanze invloed uitoefende was groot en kende veel verschillende machthebbers, die de voordelen zagen van onderlinge samenwerking om op het gebied van handel en defensie sterker te staan. In dat opzicht is de Hanze in de basis vergelijkbaar met de Europese Unie: samenwerken om samen sterker te staan op de internationale handelsbühne. Dit artikel trekt deze vergelijking een stuk verder door te kijken naar de handelsrelaties van de huidige landen waarin de voormalige Hanzesteden zich nu bevinden. Is er cijfermatig nu nog steeds sprake van een ‘Hanzeovereenkomst’ op het noordelijk deel van het Europese continent?

De Hanzesteden: handel in de Middeleeuwen
Gedurende de Middeleeuwen reisden Duitse kooplieden een groot deel van het Europees continent af om in andere, vreemde gebieden handel te drijven. Niet zoals de Nederlanders dat later deden voor de handel in lucratieve specerijen; het hoofdproduct voor de Hanze was namelijk graan. Het streven van de Hanze was het creëren van een handelsmonopolie in de huidige Scandinavische landen. Samenwerken op handels- en transportgebied bood voordelen qua verplaatsingskosten. Bovendien stond men letterlijk ‘samen sterker’, door in grotere hoeveelheden en met meer mankracht tegelijk de vele oversteken over de Noord- en Oostzee te maken. Gaandeweg ontstonden er dankzij de Hanze vaste handelsroutes en wisten de verschillende steden op een bijzonder efficiënte manier hun handelsovereenkomsten in praktijk te brengen.

Voordat de Hanze een officieel verbond van verschillende steden was, bestonden er al handelsrelaties tussen de latere deelnemers. De Duitse kooplieden vestigden zich in veel van de steden rond de Noord- en Oostzee, die echter na de start van de Hanze niet geregeerd en gedomineerd werden door deze nieuwe handelaren. De Hanzesteden bleven onderling onafhankelijk, er bestonden geen richtlijnen en uittreding was op elk gewenst moment mogelijk. Dat leidde ertoe dat, ondanks dat lid zijn van de Hanze wel een officiële aangelegenheid was, de omvang van de Hanze gedurende de eeuwen nogal varieerde en er veel diversiteit was qua betrokkenheid van de verschillende deelnemers. Ondanks de vele vrijheden die de steden genoten, wist het Hanzeverbond veel eeuwen te overleven tot het in de zeventiende eeuw over diens hoogtepunt heen was, om uiteindelijk in de negentiende eeuw opgeheven te worden met slechts drie deelnemende steden.

Het netwerk van Hanzesteden strekte zich op het hoogtepunt van het verbond uit van Londen tot Novgorod (Rusland). Enkele bekende steden langs de Noord- en Oostzee die deelnamen waren Brugge, Groningen, Lübeck, Kopenhagen, Bergen, Stockholm, Gdansk, Riga en Tallinn. Verder het binnenland in deden echter eveneens veel steden mee, waaronder een grote verzameling Duitse, Nederlandse en Belgische steden, maar ook Poolse en andere Baltische plaatsen waren betrokken bij het verbond.

Europese integratie
In de tijd dat het Hanzeverbond gaandeweg ten onder ging ontstonden landen in de vorm zoals wij die nu kennen: afgebakende territoria, zowel stedelijk als ruraal, die afgebakend werden met landsgrenzen en veelal centraal werden geregeerd. Binnen deze landen werd tussen verschillende steden en regio’s uiteraard veel handel gedreven, maar op internationaal vlak werden geen grote stappen gezet. In de twintigste eeuw ontstonden wel overeenkomsten tussen landen, maar dan op defensief vlak: de spanningen tussen en binnen verschillende landen namen toe, waardoor veel onderlinge overeenkomsten van steun werden ondertekend. Dit is de meest simpele uitleg van de chaos die uiteindelijk ontstond in de vorm van de beide wereldoorlogen in de eerste helft van de twintigste eeuw. Dit artikel focust echter niet op de ontstaansgeschiedenis van Europese samenwerking in de moderne tijd, dus de geschiedenis van de Europese Unie, van de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal tot de huidige situatie met bijna dertig lidstaten in en gemeenschappelijke economische markt, wordt overgeslagen.

We pakken de draad weer op aan het einde van de twintigste eeuw. In 1995 traden onder meer Zweden en Finland toe; twee landen toe waarvan enkele steden eeuwen geleden betrokken waren bij de Hanze. In 2004 werd de verzameling ‘Hanzelanden’ in de Europese Unie verder uitgebreid met Polen, Litouwen, Letland en Estland. Zodoende zijn sindsdien alle voormalige Hanzesteden (behalve Bergen, Noorwegen) betrokken bij de huidige Europese gemeenschappelijke markt; vanaf dat punt is het interessant om te kijken naar de onderlinge handelsrelaties tussen de landen van deze steden, om te kijken of er nog steeds sprake is van een moderne variant van de Hanze.

Regionalisme
De Europese Unie en diens voorlopers zijn een vorm van ‘regionalisme’: het ontwikkelen van een samenwerking tussen verschillende steden, regio’s, of landen, die door middel van deze samenwerking proberen voordeel te halen uit hun geografische nabijheid. Dit uit zich bijvoorbeeld in het openstellen van grenzen voor bedrijven uit de deelnemende lidstaten, waardoor het mogelijk wordt om een veel grotere hoeveelheid potentiële consumenten te bereiken. Hierdoor kan, simpel gezegd, in grotere hoeveelheden geproduceerd worden, waardoor de productiekosten per product naar beneden gaan en zodoende prijs op de markt naar beneden gaat. Door samen te werken met landen in elkaars nabijheid kan een grotere markt worden aangesproken zonder dat de transportkosten exorbitant stijgen; een samenwerking met landen uit alle hoeken van de wereld is zodoende minder zinvol dan met buurlanden.

Regionalisme heeft de afgelopen decennia in de economische geografie veel aan belang gewonnen en is een prominente factor in de moderne globalisering, waarin landen samenwerken die geografisch in elkaars nabijheid liggen en op bijvoorbeeld cultureel en economisch vlak elkaar niet veel ontlopen. Het leidt er uiteindelijk toe dat landen de meeste handelsrelaties onderhouden met hun meest nabije landen. Nederlands belangrijkste handelspartner is Duitsland; Portugal handelt het meest met Spanje; Groot-Brittannië werkt, in ieder geval tot de Brexit werkelijkheid wordt, op dit gebied het meest samen met Ierland.

De cijfers: Hanze 2.0?
Volgens de theorie zouden de landen rond de Noord- en Oostzee dus voornamelijk met elkaar handelen in plaats van met landen verder weg. Of dat ook zo is, is voor dit artikel bekeken met behulp van gegevens van het International Trade Center (ITC), een samenwerking tussen de World Trade Organization (WTO) en de Verenigde Naties. Aan de hand van een interactieve wereldkaart kan worden bekeken hoe in het afgelopen kalenderjaar de verhoudingen tussen landen lagen: is er in praktijk nog steeds sprake van een nadruk op handelen met andere voormalige Hanzelanden? Om te voorkomen dat dit artikel qua lengte alle records breekt, is er gekeken naar slechts een selectie van landen: Estland, Litouwen, Polen, Denemarken en Nederland. De exportcijfers van deze landen zijn zichtbaar in onderstaande tabel.

 

Land Estland Litouwen Polen Denemarken Nederland
1e partner Zweden (17%) Rusland (16%) Duitsl. (27%) Duitsl. (16%) Duitsl. (23%)
2e partner Finland (15%) Duitsl. (11%) UK (7%) Zweden (11%) België (10%)
3e partner Rusland (10%) Polen (10%) Tsjechië (7%) Noorw. (6%) UK (9%)
4e partner Letland (10%) Letland (8%) Frankrijk (6%) UK (6%) Frankrijk (8%)
Resterend 48% 55% 53% 61% 50%

 

Exclusief exporterende landen bestaan uiteraard niet. Handel ontstaat pas wanneer twee landen goederen, services en geldstromen met elkaar uitwisselen. Daarom is het goed om eveneens naar de importcijfers van deze landen te kijken, welke zichtbaar zijn in onderstaande tabel.

 

Land Estland Litouwen Polen Denemarken Nederland
1e partner Finland (10%) Rusland (16%) Duitsl. (23%) Duitsl. (20%) Duitsl. (17%)
2e partner Rusland (10%) Duitsl. (11%) China (12%) Zweden (12%) België (10%)
3e partner Duitsl. (10%) Polen (10%) Rusland (8%) Nederl. (8%) USA (9%)
4e partner Litouw. (7%) Letland (8%) Italië (5%) China (7%) China (9%)
Resterend 63% 55% 52% 53% 55%

 

Er zijn natuurlijk zat op- en aanmerkingen bij deze cijfers te voegen. Allereerst zijn alleen de belangrijkste vier handelspartners benoemd, terwijl goed mogelijk is dat er buiten de top vier meer landen zijn die vergelijkbare cijfers laten zien. Bovendien is er slechts naar één jaar gekeken en naar slechts twee fenomenen (in- en export). Ook interessante gegevens zijn bijvoorbeeld de stromen van investeringen (Foreign Direct Investments).

Desondanks komen er wel een aantal interessante fenomenen aan het licht. Het regionalisme wordt op het oog meteen bevestigd aan de hand van de exportcijfers: geëxporteerd wordt in alle gevallen het meest naar een buurland (land- of maritieme grenzen) en landen relatief ver weg gelegen landen komen niet in deze gegevens voor. Er zijn per land genoeg individuele redenen aan te geven waarom bepaalde fenomenen zich op welke manier voordoen. De sterke verwevenheid van Litouwen en Polen heeft niet alleen te maken met het delen van een grens, maar ook met de geschiedenis die de landen gedeeltelijk met elkaar delen. Dit wordt ook aangedragen als reden waarom Rusland veelal terugkomt in de cijfers: voordat Oost-Europese landen zich op ‘het westen’ gingen richten, bestonden er veel goede handelscontacten met Rusland, welke ondanks de snelle verwesterlijking van veel Oost-Europese landen grotendeels intact zijn gebleven. Zodoende blijft Rusland een belangrijke speler in de economie van veel Oost-Europese landen, ondanks hun lidmaatschap van de Europese Unie en strenge grenscontroles, alsmede Europese in- en exportbeperkingen met Rusland.

Een laatste interessante fenomeen is dat bij de importcijfers de rol van grote, goedkope productielanden naar voren komt. China, de Verenigde Staten (USA) en Rusland genieten productievoordelen vanwege de grote respectievelijke bevolkingsaantallen, wat resulteert in een zeer grote arbeidsmarkt en daardoor de mogelijkheid om in grote aantallen te produceren. In Rusland en China spelen tevens de veel lagere lonen dan in Europa een rol. De voordelen die deze landen door hun omvang en goedkope productiemogelijkheden genieten compenseren de transportkosten naar Europa voldoende om het produceren deze landen te legitimeren. Zodoende zijn Rusland, de Verenigde Staten en China belangrijke partners van Europese landen, ondanks dat ze (in het geval van China en de UsA) totaal niet in de buurt van de betreffende Europese landen liggen.

Conclusie en discussie
We kunnen dus, ondanks de uiteraard zeer beperkte statistische basis waar dit artikel op is gebaseerd, concluderen dat in de 21e eeuw nog steeds sprake is van een samenwerkingsverband rondom de Noord- en Oostzee, zoals die er ook was tijdens de tijd van de Hanzesteden. Hoewel deels verschillende redenen ten grondslag liggen aan beide samenwerkingsverbanden, is de basis grotendeels hetzelfde: efficiënt transporteren en als ‘blok’ landen samen sterk staan tegen concurrentie van buitenaf. Hoewel die concurrentie van buitenaf dankzij diverse productievoordelen een toenemend belangrijke rol speelt in Europa, blijven de onderlinge Europese buurlanden het belangrijkst voor de vele diverse staatjes die het ‘oude continent’ rijk is. De Europese Unie is dus op sommige fronten prima te vergelijken met de Hanzesteden. Desondanks zou meer diepgaand onderzoek in de richting van de vroegere en huidige handelspatronen, alsmede de redenen die hieraan ten grondslag liggen, een beter antwoord kunnen geven op de vraag die in de inleiding is gesteld.

Foto: zicht op een deel van het centrum van Riga, Letland (Jeroen de Regt, 2016).